Het hoger onderwijs in Nederland staat bekend om zijn internationale aanpak en hoge kwaliteit. We zijn een van de grootste aanbieders van Engelstalige opleidingen in Europa, waardoor studeren in Nederland zeer interessant is voor internationale studenten. Lange tijd namen we een koppositie in, maar inmiddels dalen we op de onderwijsladder. Hoe kan dat en wat doen we eraan?

In het Global Competitiveness Report 2017-2018 van het World Economic Forum neemt Nederland op de wereldwijde concurrentie-index een historische topnotering in met een vierde positie. Maar in datzelfde onderzoek leverden we wel in op de kwaliteit van het onderwijs. “Dat betekent niet dat Nederland slecht presteert, maar dat andere landen het nóg beter doen”, zegt Henk Volberda, hoogleraar Strategisch Management en Ondernemingsbeleid aan de Rotterdam School of Management van de Erasmus Universiteit.

Droneverkeersleider

Robotisering, big data, kunstmatige intelligentie: Nederland is een van de voorlopers als het gaat om de toepassing van nieuwe technologieën. Toch is het juist ook door het snelle tempo van die ontwikkelingen dat kennis snel verandert en huidige vaardigheden die we nu toepassen straks niet meer nodig zijn. Volberda: “Daarom is investeren in onderwijs steeds belangrijker en noodzakelijk. Om oudere generaties bij en om te scholen, maar zeker ook voor de jongere generatie. Kinderen die nu op de basisschool zitten, hebben straks functies die nu nog niet bestaan. Denk aan droneverkeersleider of chef 3D-footprint.”

Voor de internationale concurrentiepositie van Nederland is het belangrijk dat er voldoende talent is. Bedrijven vestigen zich immers daar waar talent is. Volberda: “Als er genoeg aanbod is van goedopgeleide mensen en er goede onderwijsmogelijkheden zijn, blijven we aantrekkelijk voor Nederlandse bedrijven én buitenlandse bedrijven met een locatie in Nederland. Maar ook voor internationale studenten, die hier in groten getale heen komen. Vooral onder onze Duitse buren is het Nederlandse onderwijs populair. De vraag is of onderwijsinstellingen de toestroom aankunnen. Zonder extra middelen lukt dat zeker niet. Om onze koploperspositie op de wereldranglijst te behouden, móét er meer geld naar onderwijs. Finland en Zwitserland investeren in vergelijking met Nederland meer. En dat zie je terug in de resultaten.”

Hybride docenten

Meer investeren in onderwijs zit volgens Volberda in een intensievere samenwerking tussen onderwijsinstellingen en bedrijven. “Onderwijsinstellingen moeten hun aanbod afstemmen in overleg met bedrijven. En die bedrijven moeten hun medewerkers de kans geven om weer terug te keren in de schoolbanken. Bijscholing past bij een leven lang leren. Ik vind het ook horen bij de eigen verantwoordelijkheid van mensen om bij de tijd te blijven, te blijven investeren in jezelf en je te verdiepen en te verbreden. Maar mensen moeten wel mogelijkheden krijgen. Daarnaast schreeuwen bepaalde vakgebieden om voldoende docenten met verstand van zaken. Door zogenoemde hybride docenten in te zetten – mensen die naast hun baan deels werken als vakdocent – wordt kennis overgebracht op de toekomstige generatie. Een win-winsituatie voor iedereen.”

Toch begrijpt Volberda wel dat bedrijven huiverig zijn om hun opleidingsbudgetten te vergroten. Het zal tenslotte niet de eerste keer zijn dat iemand met een door de baas betaald diploma op zak vertrekt naar de (buitenlandse) concurrent. “Als je investeert in de opleiding van je werknemers wil je natuurlijk dat ze bij je blijven werken. De overheid zou hierin een stimulerende rol kunnen spelen door bedrijven bijvoorbeeld fiscaal te compenseren wanneer ze een bijscholingstraject voor hun medewerkers betalen.”

Van alle banen die naar het buitenland verdwijnen, gaat het in een kwart van de gevallen om banen voor hoogopgeleiden, blijkt uit cijfers van het CBS. Volberda: “Veelal management-, administratieve en ICT-banen bij bedrijven met een buitenlands moederbedrijf. Bij Nederlandse bedrijven speelt die overloop minder. Maar zij moeten wel zorgen dat ze volop investeren in hoogopgeleide mensen en ze moeten iets doen aan het grote tekort aan ICT’ers.”

In de hightech- en ICT-sector knelt de arbeidsmarkt het meest. In die sector zegt respectievelijk 80 en 75 procent van de bedrijven moeilijk aan goed geschoold personeel met de juiste vaardigheden te kunnen komen, tegenover het gemiddelde van 64 procent van alle bedrijven in Nederland. “Er is nog steeds werkloosheid”, vertelt Volberda. “Maar daar zitten doorgaans geen mensen meer tussen die de technologische uitdagingen van deze eeuw kunnen oplossen.” In Brainport Eindhoven – een innovatieve toptechnologieregio – maken kennisinstellingen, bedrijven en overheid concrete afspraken. Er wordt binnen de regio goed samengewerkt.

Aantrekkelijk blijven

Volberda: “Een goed voorbeeld van hoe bedrijfsleven en onderwijs steeds vaker de handen ineenslaan is het Nederlandse hightechbedrijf ASML dat bijdraagt aan technisch onderwijs in de regio Eindhoven, zodat zij straks profiteren van goed geschoolde mensen. Wat mij betreft volgen meer regio’s in Nederland dit voorbeeld, zodat we als land aantrekkelijk zijn én blijven op onderwijs-, innovatie- en kennisgebied.”