Gerdi Verbeet (68) bekleedt een indrukwekkend aantal functies voor iemand die de pensioengerechtigde leeftijd voorbij is. Acht, om precies te zijn. Ze is onder meer voorzitter van het Nationaal Comité 4 en 5 mei en de LOI Adviesraad. Verbeet vertelt over leven en leren, Luizenmoeder-taferelen en lesgeven. “Mensen meer mens zien worden in een klas is het allermooiste.”

Wat is het laatste dat u heeft geleerd?

“Veel nieuwe dingen op de iPad. Foto’s verzenden, mijn agenda beheren, internetbankieren, sociale media. Ik ben nu ook van de Tikkies. Meesterlijk vind ik dat!”

Wordt het belang van zelfontwikkeling onderschat in Nederland?

“Nee, maar het kan wel beter. Kinderen moeten zo vroeg mogelijk leren hoe ze moeten leren. Klassikaal, individueel, al doende, achter de computer; dat is voor iedereen anders. Nóg belangrijker is dat mensen leren leuk vinden en blijven vinden. In de jaren tachtig deed ik met het Contactcentrum Onderwijs-Arbeid onderzoek naar de werkloosheid in de bouw. Ik opperde dat de mensen misschien weer naar school moesten, maar dat was het laatste wat ze wilden. Ze hadden zulke slechte herinneringen aan school. Zo’n afkeer is een drama in een wereld waarin alles snel verandert. De techniek en het materiaal om huizen te bouwen wijzigen; daar zijn groot vakmanschap en scholing voor nodig. Dan helpt het als mensen school leuk vinden.”

Waar komt die weerstand vandaan?

“Dat kan van alles zijn. Als je altijd het laagste cijfer hebt, wordt het nooit makkelijk op school. Kinderen weten dat van elkaar. Daar moet je dan tegenop boksen. Daarom is het oefenen met online middelen zo’n uitkomst. Mijn kleinkinderen volgen interactieve taalprogramma’s. Dat is geweldig. De computer wordt namelijk nooit emotioneel. Al doe je het tien keer fout; hij blijft vriendelijk zeggen ‘probeer het nog eens’. Dat zijn ontwikkelingen waardoor leren voor iedereen aantrekkelijker wordt.”

Moet ons onderwijssysteem zich meer richten op persoonlijke behoeften?

“De reactie was doorslaggevend. Veerden leerlingen op bij nieuwe lesstof of trokken ze wit weg? Als kinderen interesse tonen voor iets nieuws en er niet van schrikken, is dat een teken dat ze méér kunnen. Ik probeerde sowieso altijd te zorgen voor een goede sfeer. Dat er in de les een paar keer hard werd gelachen. Mijn moeder zette voor de gezelligheid de radio aan als ze voor de klas stond. Mijn vader legde de Duitse naamvallen uit met behulp van een teckel die hij op het bord tekende. Zo probeerden mijn ouders leerlingen blij te maken. Dat is belangrijk als je nog je hele leven moet leren. Als je daar al jong een nare associatie bij hebt, is dat een serieus probleem.”

Hoe pakte u dat aan toen u voor de klas stond?

“Ik vind het vooral belangrijk dat kinderen leren waar ze goed in zijn. Ik heb aan ons systeem nooit begrepen waarom we zo’n negatief oordeel vellen over kinderen. Het stoort me enorm dat we vooral focussen op wat ze niet kunnen. Hoe kun je in december een 8 hebben en in juni een 4, terwijl je in juni veel meer weet dan in december? Dat is toch raar? Zie een kind als een spons die steeds meer opneemt. Maak iemand nieuws- en leergieriger.”

Hoe maak je leren nog meer leuk?

“Door leerlingen zoveel mogelijk het vertrouwen te geven dat ze nieuwe dingen onder de knie kunnen krijgen. Toen ik Tweede Kamerlid was, maakte mijn kleinzoon een powerpoint-presentatie voor me. Dat had-ie nog nooit gedaan, maar hij begon gewoon. Proberen en telkens een nieuwe ontdekkingsreis starten; zo moet het. Dat moeten we meer stimuleren in Nederland. En leer mensen ook dat ze fouten mogen maken. Kritiek krijgen is niet erg, maar het ligt er wel aan hoe de kritiek gegeven wordt. Vroeger werd in de klas gezegd: ‘Jij wilt zeker putjesschepper worden.’ Dat vond ik zó stom, want ten eerste heb je putjesscheppers nodig en ten tweede moet je leerlingen nooit en plein public vernederen. Dat kan hun schoolbeeld in één klap onderuithalen. Ik snap dat een docent uit onmacht weleens zo’n tekst kan uiten. Maar eigenlijk moet hij dan aan zichzelf gaan werken.”

Waaruit haalde u de meeste voldoening toen u lesgaf?

“Leerlingen zien groeien. Mensen meer mens zien worden, omdat ze dingen leerden. Dat is het allermooiste. Het geeft ook een goed gevoel als mensen zich veilig bij je voelen en steeds meer vragen durven stellen. Dan weet je dat je een snaar hebt geraakt.”

U heeft vier jaar voor de klas gestaan. Is dat achteraf te weinig?

“Als er toen niet zo veel leraren waren geweest, was ik nooit het onderwijs uitgegaan. Nooit. Nooit! Ik was intens gelukkig voor de klas, maar ik kon helaas geen voltijd baan vinden. Mijn ouders vonden het jammer dat ik uit het onderwijs stapte. Voor hen was lesgeven het ultieme en ik kan dat beamen. Mijn moeder zei altijd: ‘Je werkt met levend materiaal en dat doet een beroep op al je talenten en je karakter. Kinderen ruiken en voelen of je goed in je vel zit. Je moet kunnen vergeven, strikt zijn en jezelf kunnen relativeren.’ Met name dat relativeren en ad rem zijn hebben me in mijn politieke carrière gigantisch geholpen. Soms moet je ergens bovenop duiken, soms blijf je onder de radar. Door voor een groep te staan, voel je op een gegeven moment precies aan wat je moet doen.”

Waarom geeft u momenteel geen les? Stel dat de LOI een acuut docententekort heeft…

“Hahaha. Nou, ik heb te lang niet voor de klas gestaan. Lesgeven is een ambacht. Ik zou dat nu niet meer durven.”

Maar kriebelt het nooit meer?

“Jawel. Ik coach bijvoorbeeld graag jonge talenten. En in de Tweede Kamer kwamen vaak groepen langs die bezig waren met hun inburgering. Ik vertelde dan altijd dat je in Nederland alles kunt bereiken. Mijn grootmoeder was dienstmeisje. In veel landen is het onbestaanbaar dat de kleindochter het dan schopt tot Kamervoorzitter. Je best doen, jezelf blijven ontwikkelen; dáár zit de sleutel. Mijn ouders leerden me dat. Op mijn 68ste vind ik leren nog steeds leuk.” 

Hoe was u in de schoolbanken?

“Op de lagere school ontzettend zoet en leergierig, op de middelbare kreeg ik veel andere interesses. Maar ik moest wel de beste van de klas zijn. Als mijn cijfers niet goed waren, werd mijn moeder erg ongezellig. Daar lette ik goed op, soms met kunst- en vliegwerk. Ik deed ook veel naast school. Bij de politieke jongerenvereniging op mijn veertiende, voorzitter van de schoolbond. Daardoor kon ik naar de feesten van alle scholen, want ik was ook wel een fuifnummer hoor.”

Leerde u makkelijk?

“Ja, want ik kon me volledig afsluiten van mijn omgeving. Ik denk dat ik daardoor vaak als eerste klaar was. In onze klas met 52 kinderen werd ik al snel als hulpje van de juf ingezet om dingen uit te leggen aan medeleerlingen. Hoewel klasgenoten me niet onaardig vonden, had ik niet zoveel vriendjes en vriendinnetjes. Dat volstrekt mijn eigen gang gaan, heeft me uiteindelijk geen windeieren gelegd in mijn loopbaan.”

Onderwijs is de rode draad in uw leven. Uw ouders ontmoetten elkaar tijdens een docentenreis naar Parijs in 1948 en 32 jaar later stond u zelf voor de klas. Hoe was het om op te groeien tussen twee leraren?

“Leerzaam. Op de eettafel lagen stapels kranten, woordenboeken en atlassen. Als er gegeten moest worden, werden die een beetje opzij geschoven zodat er net een bord tussen paste. Mijn moeder had niks met koken, ze verzorgde calorieën. De afhaalchinees en pizzeria waren regelrechte ontdekkingen voor haar. Mijn ouders zaten altijd in boeken te neuzen. Ze waren pas tevreden als hun leerlingen een baan hadden gevonden.”

Wat is het grootste verschil tussen toen en nu?

“Dat de huidige generatie uit heel andere, kleinere gezinnen komt. Daarin zijn ze prinsjes en prinsesjes. In de tijd van mijn ouders waren kinderen gewend dat grote mensen bepaalden hoe het ging. Er was geen discussie over autoriteit. Nu wel. Ouders kunnen bijvoorbeeld enorm de positie van leerkrachten ondergraven. En dan al die testen en toetsen… Pfff. Ik snap dat de leraar graag weet of hij iets goed heeft uitgelegd. Maar volgens mij zitten kinderen nu in een voortdurende toets-stress. Aan de andere kant is het ook niet goed als je er pas na zes jaar achter komt dat een kind niks heeft geleerd. Nederland telt ruim twee miljoen analfabeten en laaggeletterden: mensen die geen gebruiksaanwijzing kunnen lezen of een formulier kunnen invullen. Dat is teveel! Ze hebben allemaal veertien jaar onderwijs gehad. Hoe is dat dan misgegaan?”

Even terug: u pleit voor minder bemoeienis van ouders met het onderwijs van hun kinderen?

“Ja, en voor meer respect voor de docent. En ouders moeten hun kinderen leren loslaten. Een kind heeft recht op een omgeving waarin hij zijn eigen problemen leert oplossen en op ouders die respecteren dat de school de omgeving van het kind is. Mijn moeder vond dat ouders de kinderen bij de schoolpoort moesten afleveren. Nu staan alle ouders ‘s ochtends in de klas, zoals De Luizenmoeder treffend in beeld bracht. Maar dat is natuurlijk bezopen. Ik vind het ook zo gek dat ouders continu alle cijfers van hun kinderen kunnen zien. Waarom dan? Kinderen moeten het voor zichzelf doen. Niet voor hun ouders.”

Hoe zou u werkend Nederland motiveren om te blijven leren?

“Ik denk dat het nuttig is om mensen jaarlijks in een ‘wat zou je doen als deze functie opgeheven wordt-setting’ te plaatsen. Wat wordt dan je strategie? Verstandige bedrijven en medewerkers doen dit al. Dan hebben je medewerkers in ieder geval een realistisch beeld van zichzelf. Dat lijkt me onontbeerlijk. Stilstand kan niet. Je moet zelf verantwoordelijkheid blijven nemen voor je loopbaan. Vraag jezelf vaker af: is dit wat ik wil?”

Welke rol heeft de LOI in dit speelveld?

“Een belangrijke. Als me iets duidelijk is geworden sinds ik in de Adviesraad zit, is het dat de LOI enorm hecht aan kwaliteit. In het aanbod, het lesmateriaal, de mensen; noem maar op. Tegelijkertijd is de LOI een lerende organisatie die goed luistert naar de behoefte van studenten en het bedrijfsleven. Mijn invalshoek is vaak of iets studeerbaar is. Kun je een studie combineren met je andere verantwoordelijkheden op je werk en thuis? Geen enkele student is alleen maar student. ‘s Avonds ben je óók ouder, partner en lid van het voetbalteam. In Amerika bieden bedrijven werknemers de kans om hun studie direct na werktijd op het bedrijfsterrein te doen. Zo blijven ze gefocust. De LOI biedt dit soort trajecten ook. Zo worden organisaties geholpen om mensen on the job op te leiden. Dit kan een waardevolle bijdrage leveren aan de bijscholing en omscholing van volwassenen.”

Wat hoopt u voor elkaar te krijgen met de LOI?

“Dat we de zorg naar een hoger niveau helpen. Er zijn zoveel nieuwe mogelijkheden, middelen en inzichten. Die zaken moeten we verweven met de praktijk. De rode draad? Dat je van je achttiende tot je zeventigste niet kunt volstaan met één opleiding. Mensen die zwaar lichamelijk werk doen, moeten op tijd overstappen naar een functie waar hun fysieke kracht minder wordt aangesproken. Iemand die altijd in de bouw heeft gewerkt, kan prima naar de zorg switchen in het tweede deel van zijn carrière. Voor een achttienjarige is dat misschien geen aantrekkelijk beroep. Maar het kan een vijftiger veel energie en voldoening geven om een totaal ander pad te kiezen en andere talenten te ontwikkelen.”